In de havenmond van de Oostbuitenhaven in Terneuzen komen twee binnenvaartschepen in aanvaring. Ieder schip is door de verkeerspost Terneuzen op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van een ander schip op kruisende koers, maar zowel het schip dat de Westerschelde afkomt, als het schip dat de Westerschelde opgaat neemt geen marifooncontact met de ander op.
De voorrangssituatie wordt het verkeer dat het hoofdvaarwater – de Westerschelde – op wil, toegelicht door een gebodsteken. Het ‘gebodsteken B.9a’ uit bijlage 5 van het tot de havenkop geldende Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen betekent: ‘Verplichting niet het hoofdvaarwater op te varen of over te steken, indien daardoor schepen op het hoofdvaarwater zouden worden genoodzaakt hun koers of snelheid te wijzigen‘. Hetzelfde teken komt voor in bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement onder verwijzing naar artikel 6.16 lid 8 BPR, dat bepaalt dat, ‘ingeval langs een haven of een nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater dit teken wordt getoond, een schip dat uit deze haven of dit nevenvaarwater komt voorrang moet verlenen aan een schip op het hoofdvaarwater‘. De beide bepalingen verschillen in die zin van elkaar dat het BPR niet slechts rekening houdt met schepen die het hoofdvaarwater (blijven) volgen.
De rechtbank oordeelt dat het gebodsteken analoog aan het BPR uitgelegd moet worden; een schip dat de Westerschelde op vaart dient dus voorrang te geven aan ieder verkeer dat zich reeds op dat water bevindt. Evenwel heeft niet alleen het voorrang nemende schip schuld aan de aanvaring. In het algemeen verplicht goed zeemanschap om alle voorzorgsmaatregelen te nemen om aanvaringsgevaar te onderkennen en te voorkomen. Ter voorkoming dienen alle beschikbare middelen te worden aangewend; i.c. hebben beide schepen schuld door te verzuimen marifooncontact te onderhouden. Volgt schadeverdeling 75%-25%.
Download in .pdf: Rb Rotterdam 23 september 2009