Rb. Rotterdam 23 september 2009

In de havenmond van de Oostbuitenhaven in Terneuzen komen twee binnenvaartschepen  in aanvaring. Ieder schip is door de verkeerspost Terneuzen op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van een ander schip op kruisende koers, maar zowel het schip dat de Westerschelde afkomt, als het schip dat de Westerschelde opgaat neemt geen marifooncontact met de ander op.

De voorrangssituatie wordt het verkeer dat het hoofdvaarwater – de Westerschelde – op wil, toegelicht door een gebodsteken. Het ‘gebodsteken B.9a’ uit bijlage 5 van het tot de havenkop geldende Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen betekent: ‘Verplichting niet het hoofdvaarwater op te varen of over te steken, indien daardoor schepen op het hoofdvaarwater zouden worden genoodzaakt hun koers of snelheid te wijzigen‘. Hetzelfde teken komt voor in bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement onder verwijzing naar artikel 6.16 lid 8 BPR, dat bepaalt dat, ‘ingeval langs een haven of een nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater dit teken wordt getoond, een schip dat uit deze haven of dit nevenvaarwater komt voorrang moet verlenen aan een schip op het hoofdvaarwater‘. De beide bepalingen verschillen in die zin van elkaar dat het BPR niet slechts rekening houdt met schepen die het hoofdvaarwater (blijven) volgen.

De rechtbank oordeelt dat het gebodsteken analoog aan het BPR uitgelegd moet worden; een schip dat de Westerschelde op vaart dient dus voorrang te geven aan ieder verkeer dat zich reeds op dat water bevindt. Evenwel heeft niet alleen het voorrang nemende schip schuld aan de aanvaring. In het algemeen verplicht goed zeemanschap om alle voorzorgsmaatregelen te nemen om aanvaringsgevaar te onderkennen en te voorkomen. Ter voorkoming dienen alle beschikbare middelen te worden aangewend; i.c. hebben beide schepen schuld door te verzuimen marifooncontact te onderhouden. Volgt schadeverdeling 75%-25%.

 

Download in .pdf: Rb Rotterdam 23 september 2009

Comments Off

Filed under Ongevallen, Vervoer over de binnenwateren

HR 20 april 1979 (Smits/Ribro)

In het Mars-arrest verwijst de Hoge Raad naar zijn uitspraak van 20 april 1979, waarin hij inging op het einde van de vervoersovereenkomst onder de CMR. Het vrij feitelijke Smits/Ribro leidt tot de conclusie dat de CMR niet uitsluit dat vervoerde goederen na aankomst op de overeengekomen bestemming onder de vervoerder blijven op grond van een andere overeenkomst en dat de vervoersovereenkomst eindigt met de inwerkingtreding van die andere overeenkomst.

Ter illustratie: Smits/Ribro draait om de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van de verruiling van een partij varkensdarmen met een lading schapendarmen. Partijen zien elk een andere basis van aansprakelijkheid voor de schade: vertragingsschade ex artikel 23 lid 5 CMR tegenover de overeenkomst tussen partijen van huur en verhuur van loodsruimte. Tot een oordeel over de basis van aansprakelijkheid komt de Hoge Raad niet, daar Smits in eerdere instantie niet heeft aangevoerd dat een overeenkomst van huur en verhuur van loodsruimte totstandgekomen is. Wél betrekt de Hoge Raad het mogelijke bestaan van een navolgende overeenkomst tussen partijen in zijn antwoord. Hij overweegt:

‘Evenmin heeft het Hof miskend dat het CMR-Verdrag niet uitsluit dat vervoerde goederen na aankomst ter destinatie krachtens een andere overeenkomst dan de vervoerovereenkomst onder de vervoerder blijven berusten en dat dan met ingang van het tijdstip waarop die andere overeenkomst in werking treedt de vervoerovereenkomst eindigt.

Download in .pdf: HR 20 april 1979 (Smits-Ribro)

Comments Off

Filed under Wegvervoer

HR 24 maart 1995 (Nieuw Rotterdam/Van den Bosch; Mars-arrest)

In het Mars-arrest legt de Hoge Raad het begrip ‘aflevering’, zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 CMR, uit. Onder ‘aflevering’ moet niet slechts de feitelijke lossing of afgifte van de vervoerde goederen worden begrepen.

In de gevallen waarin in de vervoersovereenkomst is bepaald dat de wederpartij van de vervoerder de lossing van de goederen op zich neemt, ligt het evenwel voor de hand dat het moment van feitelijke verkrijging van de beschikking over de goederen na aankomst op de afgesproken bestemming als tijdstip van aflevering is aan te merken.

Het is echter goed mogelijk dat de vervoerde goederen na aankomst krachtens een andere overeenkomst onder de hoede van de vervoerder blijven en dat de vervoersovereenkomst pas tot een einde komt, zodra die andere overeenkomst ingaat. Dit volgt uit HR 20 april 1979, NJ 1980, 518.

De Hoge Raad overweegt in dit arrest dat draait om de aansprakelijkheid voor gestolde, weer gesmolten en vervolgens verbrande Mars-chocolade:

’3.3.1. [...]   De klacht berust kennelijk op de opvatting dat onder aflevering (‘delivery’/‘livraison’) als bedoeld in art. 17 lid 1 CMR slechts kan worden verstaan de feitelijke lossing of afgifte van de vervoerde goederen. Deze opvatting kan evenwel niet als juist worden aanvaard. De tekst van art. 17 lid 1, waarin geen nadere omschrijving van het begrip aflevering is opgenomen, geeft geen grond voor een zo beperkte uitleg van dit begrip, terwijl een dergelijke uitleg ook tot onredelijke, niet met de strekking van de CMR strokende uitkomsten kan leiden in gevallen waarin ingevolge de vervoerovereenkomst het lossen van de lading door de wederpartij van de vervoerder dient te geschieden; in deze gevallen ligt het voor de hand, het tijdstip waarop de wederpartij na aankomst ter destinatie de feitelijke beschikking over de goederen verkrijgt, aan te merken als het tijdstip van aflevering. Zoals de Hoge Raad reeds in zijn arrest van 20 april 1979,  NJ 1980, 518, heeft overwogen, sluit de CMR niet uit dat vervoerde goederen na aankomst ter destinatie krachtens een andere overeenkomst onder de vervoerder blijven berusten en dat dan met ingang van het tijdstip waarop die andere overeenkomst in werking treedt, de vervoerovereenkomst eindigt.’

 

Download in .pdf: HR 24 maart 1995 (Nieuw Rotterdam-Van den Bosch; Mars-arrest)

Comments Off

Filed under Wegvervoer

HR 5 september 1997 (Sriwijaya)

De vraag of een derde zich met succes kan beroepen op een exoneratieclausule hangt af van het begrip ‘aflevering’. Nu de aflevering van onder cognossement vervoerde zaken niet in de wet is vastgelegd, moet het tijdstip van aflevering worden gezocht in de omstandigheden van het geval.

In de zaak Sriwijaya gaat het om de diefstal van een gedeelte van een lading hout, die op het moment van diefstal opgeslagen ligt bij stuwadoor Hanno. Hanno wordt op grond van onrechtmatige daad aangesproken, maar weet zich veilig te stellen door middel van een beroep op de Himalayaclausule die tussen de ladingbelanghebbende en de vervoerder is overeengekomen. Nu, mede op grond van de toepasselijke cognossementsvoorwaarden,  de goederen eerst afgeleverd worden op het moment dat de ontvangstexpediteur in opdracht van de ladingbelanghebbende de goederen bij de stuwadoor ophaalt, komt de vervoerovereenkomst – met de Himalayaclausule waarop Hanno zich beroept incluis – pas dan tot een einde. De Hoge Raad overweegt:

‘ 3.4 [...]   Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het te dezen nog toepasselijke, voor 1 april 1991 geldende, recht geen nadere omschrijving van het begrip aflevering van onder cognossement vervoerde zaken inhield, evenmin als het huidige recht zodanige omschrijving inhoudt. Het tijdstip van de aflevering moet dan ook worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Aflevering kan plaatsvinden doordat de vervoerde zaken worden gebracht in de feitelijke macht van de rechthebbende of in die van een daarbij voor de rechthebbende optredende derde. Niet uitgesloten is voorts dat vervoerde zaken na aankomst ter destinatie krachtens een andere overeenkomst met de rechthebbende hetzij onder de vervoerder blijven berusten, hetzij onder degene die de zaken krachtens een overeenkomst met de vervoerder onder zich had, en dat in deze gevallen met ingang van het tijdstip waarop die andere overeenkomst in werking treedt, de vervoerovereenkomst eindigt (vgl. HR 24 maart 1995, S&S 1995, 74, NJ 1996, 317).

Dit een en ander heeft het hof niet miskend. ‘s Hofs gedachtengang [...] moet kennelijk aldus worden begrepen dat het hof zich heeft aangesloten bij en tot het zijne heeft gemaakt, het oordeel van de Rb. dat in het onderhavige geval de partijen hout eerst op 11 en 13 dec. 1989 zijn afgeleverd toen zij door Betramy in opdracht van Suedex werden opgehaald. De Rb., en derhalve met haar het hof, heeft daarbij de mogelijkheid onder ogen gezien dat het hout op een eerder tijdstip was afgeleverd, maar zij is mede op grond van een beoordeling van de toepasselijke cognossementsvoorwaarden, tot de slotsom gekomen dat zulks niet het geval was.’

 

Download in .pdf: HR 5 september 1997 (Sriwijaya)

Comments Off

Filed under Hulppersonen

HR 21 januari 2000 (Sungreen)

Slechts bij hoge uitzondering honoreert de Hoge Raad een beroep op overeengekomen stuwadoorscondities, zodat een derde deze tegen zich moet laten gelden. De Hoge Raad komt tot dit oordeel in de zaak Sungreen, die in lijn ligt met de uitspraken van 20 juni 19869 juni 1989, 12 januari 1979 en 7 maart 1969. Die lijn houdt in dat overeenkomsten in beginsel slechts tussen partijen gelden, maar dat derden zo een overeenkomst in uitzonderlijke gevallen redelijkerwijze tegen zich moeten laten gelden. In Gegaste uien vindt de Hoge Raad de uitzondering in het vertrouwen van degene die zich op de clausule beroept, om zich te mogen beroepen op een contractuele voorwaarde. De Hoge Raad formuleert in Makro/Securicor een uitzondering die is gebaseerd op de aard van de overeenkomst in verband met de bijzondere relatie waarin degene die zich op de clausule beroept tot de derde staat, en in Citronas vindt hij de uitzondering in het stelsel van de wet. Voorwaarden voor toegelaten derdenwerking? Vergaande bemoeienis van de derde met de stuwadoor.

De casus betreft een vordering uit onrechtmatige daad wegens het beschadigen van een lading buizen, door afzender en ladingbelanghebbende ODS aan stuwadoor CPS. CPS is aangesteld door de scheepsagent van het m.s. Sungreen, Veder. De coating op de buizen is zeer schadegevoelig, zodat ODS tijdens het lossen van de vracht voortdurend met CPS overlegt en toezicht op de werkzaamheden houdt.

De Hoge Raad stelt zichzelf nu twee vragen, die overigens bekend voorkomen: 1. mag CPS erop vertrouwen de stuwadoorscondities aan ODS te kunnen tegenwerpen, en 2.  rechtvaardigt de bijzondere aard van de relatie waarin ODS tegenover CPS staat tegenwerping van de condities? De Raad baseert zijn oordeel voornamelijk op de laatste vraag:

’3.6.2 [...] Het Hof zag zich gesteld voor de vraag of mede door toedoen van ODS bij CPS het vertrouwen is gewekt dat CPS haar wederpartij (Veder/ECL) bevoegd mocht achten tot het sluiten van de overeenkomst. Het heeft, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ODS aan ECL bijzondere instructies heeft gegeven om zich niet jegens CPS te verbinden, en dat ODS over de lossing en verdere behandeling van de buizen door CPS van meet af aan de supervisie heeft gehouden en over haar bevindingen met CPS overleg heeft gepleegd. Door op grond daarvan te oordelen dat het bedoelde vertrouwen bij CPS is gewekt door toedoen van ODS, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.’

 

Download in .pdf: HR 21 januari 2000 (Sungreen)

 

Comments Off

Filed under Hulppersonen